Alles over kunst

Expo

Watou 2021

Marc Ruyters

Praktische info

Kunstenfestival Watou, tot 5 september 2021. Reserveren via www.kunstenfestivalwatou.be

Wat kan je over het kunstenfestival Watou 2021 nog schrijven, na de rijkelijke, vooral descriptieve aandacht die de klassieke media (kranten, radio en tv) er al aan besteedden? Je kan je focussen op een aantal aandachtspunten én op de geschiedenis van dit festival.

Punt één: dit is de veertigste uitgave, met Benedicte Goesaert, Chantal Pattyn (beiden voor de beeldende kunsten) en Peter Verhelst (voor de poëzie) als kersverse curatoren. Een onuitgegeven trio, dat door de corona een mooie verlenging kreeg, omdat de editie 2020 afgelast moest worden.
De eerste 29 uitgaves werden verzorgd door Gwy Mandelinck, aka Guido Haerynck en zijn onovertroffen eega Agnes Hondekyn, die Watou op de kaart van het kunstenlandschap zetten. Met edities rond onder meer Roger Raveel, Hugo Claus, Jan Fabre, Panamarenko en vele anderen creëerden ze een unieke sfeer tussen poëzie en beeldende kunst, tussen het lokale en het globale, tussen kunst en natuur, waarmee ‘Watou’ gaandeweg een internationale reputatie opbouwde als een uniek, eigenzinnig kunstenevenement. Maar het financiële aspect bleef altijd een pijnpunt, op een bepaald ogenblik moesten de Haeryncks zelfs hun eigen huis hypothekeren, wegens een te hoge schuldenlast. Hoe dan ook, ‘Watou’ werd mettertijd een feest, figuren als Jan Hoet en anderen kwamen er elk op hun manier een hoofdrol opeisen. Eén van de gevolgen: vanaf 2005 kreeg ‘Watou’ subsidies van de Vlaamse overheid.

Twee: na de periode Mandelinck werd in 2009 het roer overgenomen door Jan Moeyaert, die tien jaar lang via zijn vzw Kunst redelijk veilige Watou-uitgaves maakte, met vooral toegankelijke kunst, zonder veel weerhaken. Net daarom doken er weer financiële problemen op, want de bevoegde commissie beeldende kunst in het toenmalige Kunstendecreet stelde vragen bij de kwaliteit van het artistieke gehalte van het evenement. Toenmalig cultuurminister Sven Gatz moest redding brengen.
Nu is het vooral de stad Poperinge die, samen met andere sponsors, de boel wil redden. Met een totaalbudget van zo’n 650.000 euro kwam de 40ste editie tot stand. En het is een heel nieuwe aanpak geworden. Vooreerst qua locaties: tot en met de 39ste editie speelde alles zich af in en om Watou, nu zijn er twee nieuwe toonplekken bijgekomen in Poperinge zelf: het uitgestrekte kasteelpark De Lovie tussen Watou en Poperinge en de Gasthuiskapel in Poperinge-centrum, waarover straks meer. De reden: twee hoofdlocaties in Watou zijn weggevallen: het Douviehuis aan de markt werd omgebouwd tot een riant complex van vakantiewoningen, en de Douviehoeve, altijd een belangrijke toonplek, werd te duur.

Twee: de keuze van beeldende kunstenaars en van dichters. Er is voor beeldende kunstenaars duidelijk samengewerkt met vooral Antwerpse en Brusselse galeries, wat niet abnormaal is, Goesaert werkte lang voor Zeno X in Antwerpen. En Verhelst heeft principieel gekozen voor de pure eenvoud: de gekozen gedichten zijn op alle locaties af te lezen van een eenvoudige pupiter, alle - soms krampachtige - pogingen van de vorige edities om de gedichten via audio, video of wat dan ook te presenteren, werden achterwege gelaten. De vastberadenheid van Peter Verhelst kennende lijkt de keuze van gedichten overigens ijzersterk, maar ik ben geen kenner.

De vijf plus een
De beeldende kunst dan. Om niet in het louter descriptieve te vervallen beperk ik me hier tot het aangeven van vijf hoogtepunten voor mezelf. Eén: Bart Lodewijks en Jan Kempenaers drukten letterlijk hun stempel op Watou. Lodewijks trok krijtlijnen op oude gebouwen, Kempenaers fotografeerde ze. Een invasieve ingreep op een dorp, waar de tristesse, ondanks de horeca-opleving, nooit weg is. Te zien in de Brouwerij. Twee: de sterke en gedreven aanwezigheid van de Britse artieste Tracey Emin op veel locaties, via werk in neon, maar ook een prachtig schilderij in het Festivalhuis. Drie: Carla Arocha en Stéphane Schraenen, niet alleen met hun monumentale werk in de vijver van het kasteel De Lovie, maar ook met hun tekeningen en kleine sculpturen in het Festivalhuis. Vier: de sculptuur van Gijs Van Vaerenbergh in het Brennepark, waarin de begrippen ‘lei’ en ‘tent’ een nieuwe vorm geven aan het idee van een pannendak. Vijf: de kapel van Joris Van de Moortel in het domein De Lovie waarin hij de iconografie van Narrenschip en van Brueghel op een mooie manier samenbrengt.
Ook de moeite, maar we doen hier niet meer aan descriptie: de tekeningen van Mark Manders in het Festivalhuis, de video Ultramarine van Vincent Meessen, de werken van Peter Buggenhout op diverse locaties, de negen sculpturen van Lucy Skaer in de kerk van Watou - gemaakt door diverse kunstenaars, waarbij ze vragen stelt rond het auteurschap, en het laatste werk in glas speciaal voor Watou is gemaakt - en Lieven De Boeck, onder meer met zijn basketballen waarop de wereld geschilderd is en zijn accolades in neon.
Tegenvallers: van de hommage aan Johan Van Geluwe, de tegendraadse ‘conservator’ van het Belgische en internationale kunstleven, had ik meer verwacht. Rond Johan Van Geluwe moet ooit een meer existentiële tentoonstelling opgebouwd worden. En van het werk van Michael Dean in het Parochiehuisje snap ik de relevantie niet. Maar dat zal aan mij liggen.

En dan nog dit: ik weet niet of de uitbreiding naar verder liggende locaties zo’n goed idee is. Maar dat heeft er wellicht mee te maken dat ik Watou 2021 bezocht op een dag vol regen. De verplaatsing naar de locatie ’t Graafschap en Brennepark was één slijktocht, de rit naar Kasteel De Lovie was ook niet aangenaam. In alle eerlijkheid: in de Gasthuiskapel in Poperinge zijn we zelfs niet geraakt, want we ploeterden al zes uur rond in Watou en kasteel De Lovie. Dus niet het werk gezien van Anouk De Clercq, Leon Vranken en co.
Maar dit Watou-initiatief mag zeker niet opgegeven worden. Kunstenaar Koen Vanmechelen verzamelt nu ideeën voor de uitgave 2022, misschien kan hij met een en ander rekening houden. Zoals: wat met schilderkunst? De werken van Bendt Eyckermans en Bram Demunter passen in deze context als een tang op een varken.
De curatoren Goesaert-Pattyn-Verhelst zorgen voor een hybride overgang van het kunstenfestival, wat een pluspunt is, want het ‘oude’ festival zat op een dood spoor. En daarmee komen we op wellicht het sterkste werk van ‘Watou’: in kasteel De Lovie, ooit een vakantiehuis van families van adel, nadien hoofdkwartier van de Duitse bezetters en nu een opvangcentrum voor mensen met een verstandelijke beperking, hing Edith Dekyndt een voile voor de ingang van een nog intacte eetkamer. Je kan de eetkamer zien, maar door een waas, en je kan er niet in. Haal die voile weg en maak een nieuw, sterk Watou.

Ten slotte genoot ik te zevenen van een uitstekend hammetje in het Hommelhof op het marktplein in Watou, op succulente wijze klaargemaakt door kok-eigenaar Stefaan Couttenye.

Carla Arocha & Stéphane Schraenen, Witness, 2018 de kunstenaars
Bart Lodewijks & Jan Kempenaers, Naar Watou toe, 2021 de kunstenaars
Tracey Emin, All I want is You, 2016 de kunstenaar en Gallery Xavier Hufkens
Gijs Van Vaerenbergh, Tabernacle, 2021 de kunstenaars
Edith Dekyndt, Illusie of is het Gewoon anders, 2021 de kunstenaar en Galerie Greta Meert