Alles over kunst

Expo  HART Nr. 198

‘Wij moeten de onvolkomenheid van het woord en de afbeelding volkomen inzien’

Peter Buggenhout bij Konrad Fischer en Axel Vervoordt
Marc Ruyters

Praktische info

Peter Buggenhout, … use menace, use prayer … (Part I) tot 10 januari 2020 in Konrad Fischer Galerie, Platanenstrasse 7 Düsseldorf, DE. Open di-za van 11-18 u. www.konradfischergalerie.de

Peter Buggenhout, … use menace, use prayer … (Part II) tot 22 februari 2020 in Axel Vervoordt Gallery, Kanaal, Stokerijstraat 19, Wijnegem. Open do-za van 14-17 u. www.axel-vervoordt.com

Peter Buggenhout, No Shade in Paradise, Walther König Verlag, 2017, 302 pag., ISBN 978-96098-230-2

Over de kracht van het abjecte, zo heette een artikel in HART 96 over het werk van Peter Buggenhout, dat hij in 2012 onder meer toonde in TRACK in Gent en het Palais de Tokyo in Parijs. Peter Buggenhout (1963, woont en werkt in Gent) maakt al zo’n twintig jaar beeldend werk in ‘abjecte’ materialen als stof, ingewanden, bloed, afbraakpuin en dies meer. Goed gekend zijn de ‘stof’-werken die allemaal de titel The Blind Leading the Blind dragen. Ander werk wordt gemaakt met vooral ingewanden (meestal koeienmagen), waarvan de meeste Mont Ventoux heten. Er zijn de Gorgo’s, werken gemaakt met bloed en andere arme materialen, en de On Hold-werken, constructies opgebouwd uit afbraakmateriaal en opblaasbare elementen.

Werk van Buggenhout is in talrijke musea, kunsthuizen en kunstbeurzen over de hele wereld te zien. Maar vandaag lopen twee tijdelijke tentoonstellingen in evenveel prestigieuze galeries: bij Konrad Fischer Galerie in Düsseldorf (…use menace, use prayer… Part I) en Axel Vervoordt Gallery in Wijnegem (…use menace, use prayer… Part II).

Peter Buggenhout, Mute Witness #1, foto: Koen Vernimmen

Sluit het werk dat hij hier toont aan op de bestaande series? Peter Buggenhout: “Om te beginnen is het belangrijk te zeggen dat die series al twintig jaar lopen. Dat is ook wel spannend: er zijn wederzijdse beïnvloedingen en raakpunten tussen de verschillende series, maar toch blijven ze hun identiteit behouden. Door aan de ene serie te werken creëer je openingen naar de tweede enzovoorts. Uiteindelijk omcirkelen al die series één centrale gedachte: wij leven in een wereld die zodanig complex is, die zo’n vormeloos kluwen is, dat ons brein niet in staat is om dat allemaal te capteren, te interpreteren, laat staan te begrijpen. Wat mijn werk dus wil zeggen is: hoe spring je om met die complexiteit? De verschillende series zijn in feite diverse poorten tot die zelfde centrale gedachte. In de tenstoonstellingen in Düsseldorf en in Wijnegem confronteer ik die series met elkaar. Dat onderstreept de consistentie die ik aan het hele oeuvre wil geven.”

Complexiteit zit niet alleen in de wereld zelf, maar ook in menselijke of mythische figuren die het wereldbeeld mee bepaald hebben. Zo zit achter de serie The Blind Leading the Blind natuurlijk de figuur van Bruegel, met de gedachte: wie leidt wie naar waar in deze chaos… (Buggenhout: “Het woord chaos gebruik ik niet graag. Ik heb het eerder over complexiteit. Het is niet omdat je iets niet begrijpt dat het chaos is. Chaos heeft een negatieve connotatie.”) Bij Mont Ventoux is het dan weer de figuur van de Italiaanse dichter Petrarca die in 1336 de beroemde berg in de Provence beklimt, naar beneden kijkt en zegt: ‘Deze wereld kunnen we beheersen als we hem kunnen categoriseren’. Het wordt gezien als het prille begin van de Renaissance. Buggenhout nuanceert: “Petrarca’s controle betreft de dingen in het dal. Zonder de nodige afstand echter zijn weinig dingen te beheersen.” De Gorgo’s, gemaakt met bloed, verwijzen dan weer naar de mythische Medusa-legende.

Titels zijn belangrijk voor Peter Buggenhout: hij benoemt de werken als a state of mind/#/number. Zo staan ze ook allemaal opgelijst in het grote boek No Shade in Paradise, dat in 2017 verscheen bijWalther König Verlag. Buggenhout schreef daar zelf over: “Ik heb wat met titels, met namen geven aan dingen; uit respect, zelfs voor het meest waardeloze. Alles verdient een naam, een eigennaam, een naam eigen aan elk individueel object, elk levend wezen, elke gebeurtenis.”

Maar Bruegel, Petrarca, Medusa enzovoorts: hoe sluipen zij in het werk en de titels? Peter Buggenhout: “De werken die ik maak zijn op zich abject en vormeloos, hebben geen enkel aanknopingspunt voor welke interpretatie dan ook, omdat ze zo abstract zijn, het is pure vormentaal. Die vormentaal is niet louter esthetiek, ze is gegroeid uit de manier waarop ik in de wereld sta. Dat moet je gaandeweg opbouwen. In de wereldgeschiedenis vind je vele gebeurtenissen en ervaringen terug, geleverd door denkers, schrijvers, andere kunstenaars, mythologieën, godsdiensten enzovoorts, die over dergelijke dingen iets te zeggen hadden of hebben. Als je je werken dan niet benoemt met een louter beschrijvende titel en ze een veruitwendiging zijn van je manier van denken, dan is het interessant om te verwijzen naar die stukjes wereldgeschiedenis, pakweg de Griekse mythologie. Dat zet de dingen open. Het Medusa-verhaal gaat er over dat Perseus niet in de ogen van Medusa – één van de drie Gorgonen – kan kijken en dus zijn schild als spiegel gebruikt om haar hoofd af te hakken. Dat is toch de grootste metafoor die je je kan bedenken voor schilderkunst, dichtkunst, schrijven: als je de werkelijkheid recht in de ogen kijkt, versteen je. De werkelijkheid is zo brutaal dat ze je verstijft en ontzet. Via de taal, via de afbeelding en de schaduw kunnen we wél leven met die brutaliteit. We omgeven ons met woorden en afbeeldingen om de werkelijkheid enigszins vatbaar te maken. De titels van mijn werken functioneren min of meer in die zin. De werken zelf zijn analogieën aan onze complexe en brutale wereld. Ze zijn ondefinieerbaar in hun abjecte vormeloosheid.”

“Zoals de wereld zich vandaag aan ons voordoet, met dat bombardement van informatie, prikkels en impulsen, kunnen we niet anders dan ons bewust te zijn van het feit dat elke uitspraak erover een druppel op een hete plaat is. Wij moeten de onvolkomenheid van het woord en de afbeelding volkomen inzien. We geloven almaar minder in religie, er is het fake nieuws enzovoorts: de argwaan is groot. Hoe moet je daar mee omspringen? Dat is de grote bekommernis in mijn werk. Bekommernis vind ik een betere term dan thematiek.”

Geweld en hoop

De tentoonstelling heet … use menace, use prayer … met Part I bij Konrad Fischer en Part II bij Axel Vervoordt. Er zit geweld in, maar ook hoop. Zoals in het werk van de kunstenaar ook ‘vuiligheid’ zit, maar ook schoonheid.

Peter Buggenhout: “De titel komt uit een gedicht van Jean Genet, Un condamné à mort, het is een van de eerste gedichten die hij in de gevangenis schreef. Vooral die zin vond ik belangrijk, omdat het de thematiek van ‘tremendum et fascinosum’ zo goed verwoordt: iets wat tegelijk afstotelijk en aantrekkelijk is. De dubbelheid die in één object of één gebeurtenis schuilt. Als mensen zijn we nu eenmaal curieuze beesten. We houden eerst afstand, op onze hoede voor gevaar, maar onze nieuwsgierigheid wint het altijd. Het zit ook in die zin: ‘use menace, use prayer’. In dezelfde paragraaf zegt Genet: ‘walk on the ledges’, loop op de rand, de klif. Op de rand worden spanningen voelbaar die in het veilige midden zelfs niet te vermoeden zijn.”

Ook Buggenhout wil met zijn werk tegelijk afstoten en aantrekken. Buggenhout: “De ‘abjecte’ materialen hebben ook een heel specifieke relatie met ‘vorm’ en ‘vormeloosheid’. Een koeienmaag bijvoorbeeld is een vormeloos ding: als je dat een vorm wil geven gaat het toch voor een groot deel zichzelf vormen. Dan kom je als maker op het veld van controle en het gebrek er aan. Waardoor er weer een nieuw spanningsveld ontstaat: tussen de menselijke handeling en het oncontroleerbare. Het is moeilijk om alle elementen, alle handelingen in een creatieproces los te trekken van elkaar. Doorheen al die jaren dat ik nu bezig ben, beginnen controleerbare en oncontroleerbare handelingen zich met elkaar te mengen. Het wordt een wereld die zichzelf vorm geeft, waarin dat ‘tremendum et fascinosum’ belangrijk is, waarbij het abjecte belangrijk is. Als je rond een beeld van mij loopt herken je geen ‘Gestalt’. Het is een fysiek iets, waarbij kijkers soms een spontane aversie ontwikkelen, maar tegelijk geïntrigeerd zijn. Alles is zodanig ‘gemerged’, in elkaar gewrongen en geduwd. Je kan er niet zomaar één element uithalen.”

Dat is het bizarre: ook al maakt Buggenhout ‘abject’ en ‘onvriendelijk’ werk, toch is hij succesvol in de ‘art scene’, met een sterke internationale aanwezigheid, werken in belangrijke museumcollecties, enzovoorts. Heeft hij voor zich zelf al uitgemaakt hoe dat komt? Buggenhout: “Daar zijn twee dingen over te zeggen. Ten eerste zijn er, denk ik, niet zoveel kunstenaars die op de schaal werken zoals ik dat vaak doe, met monumentale installaties die de volledige tentoonstellingsruimte inpalmen. Als je dat binnen de context van een museum of kunsthal bekijkt is dat natuurlijk interessant. Ten tweede ben ik er ook van overtuigd dat ik veel te danken heb aan collega-kunstenaars: ik beschouw mezelf eigenlijk als een ‘artist’s artist’ en ik denk dat dat wel klopt. Ik word vooral gevolgd door de inner circle van museumdirecteurs, curatoren, kunstenaars die al enkele decennia in het vak meedraaien, maar ook door veel jonge mensen die gefascineerd geraken als ze mijn werken zien en de wereld waarin zij gecatapulteerd zijn, herkennen in mijn werk.”
“Mijn werk heeft deze erkenning pas gekregen rond 2008, het jaar van de financiële crisis. Ik denk niet dat dat toevallig is. Er kwam toen echt wel een einde aan een tijdperk, waarin we dachten dat we de zaken onder controle konden houden. We hebben toen ingezien dat we in een wereld zitten die we niet kunnen ‘bemeesteren’, benoemen, in de hand houden, opdelen in behapbare brokken. Mijn werk gaat daar ook over. Elke dag worden mijn beelden gevoed met wat er sinds 2008 allemaal binnenkomt.”

Nog even terug naar de tentoonstellingen bij Konrad Fischer en bij Axel Vervoordt. Daar toont Buggenhout combinaties van nieuwe werken uit de bekende series, maar ook een nieuwe serie: Mute Witness. Buggenhout: “Dat zijn kussenachtige vormen die aan de muur hangen. Ook hier zit een vorm van verstening in. Ik ben al jaren gefascineerd door de Chinese dream stones of travel stones. Het zijn gepolierde marmersnedes die verzameld worden om hun esthetische kwaliteiten en als een soort klankbord functioneren voor gedachten en droombeelden. Dat heb ik proberen te vatten in kussenachtige vormen. Het zijn verstilde objecten, die oppervlakkige sporen vertonen van gebeurtenissen waaraan ze onderhevig waren zonder ooit hun kern te onthullen. De toeschouwer interpreteert, het object zwijgt. Ik toon ze in Düsseldorf én in Wijnegem.”
“Ik wil nog iets zeggen over de relatie die ik heb met beide galeries, die elk wel een zeer eigen insteek hebben. Konrad Fischer is al vijftig jaar voortrekker van de minimal art. Op het eerste gezicht lijkt het raar dat een kunstenaar als ik al meer dan tien jaar met deze galerie werk. Maar niets is minder waar. Minimal art heeft als één van de hoofdbekommernissen het object als object te laten bestaan, in zijn materialiteit, zonder verhaal, zonder symboliek. De reductie van hun vormentaal betekende naar mijn gevoel ook een eindpunt. Mijn werk deelt deze bekommernissen, met uitzondering van de reductie in de vorm.”

“De galerie Axel Vervoordt is vooral geworteld in Gutai- en Zero-kunst. De Gutai-kunst kent geen regels, niet qua werkwijze, niet qua materiaal. De fysiek van de maker valt samen met de materialiteit van het werk. Binnen dit alles ontstaat een ‘huwelijk tussen theorie en praktijk’. Gutai – dat uit het Japans vertaald wordt als ‘uitvoering’ – is dan ook nauw verwant aan wat ik doe. Al deze elementen samen maken intrinsiek deel uit van mijn werk.”