Alles over kunst

Kunstenaarsportret  HART Nr. 206

Expo

In gesprek met Jef Meyer

Marc Ruyters

Praktische info

Jef Meyer in Callewaert-Vanlangendonck Gallery, Sint-Jacobstraat 17, Antwerpen. Openingsweekend do-zo 17-20 september van 13-18 u. www.callewaert-vanlangendonck.com

In deze reeks geven we carte blanche om het werk van een kunstenaar naar keuze voor te stellen. Deze keer gaat Marc Ruyters in gesprek met Jef Meyer.

Kunstenaars die met beton als kunstmateriaal werken? Ze bestaan, maar het is vaak een sporadisch element in hun oeuvre. In dat van Eduardo Chillida bijvoorbeeld, of Antoni Tapiès, of John Körmeling, of Bruce Nauman, met zijn magische installatie Diamond shaped room with yellow light in het Antwerpse Middelheimmuseum. Ook jonge kunstenaars (her)ontdekken het materiaal.

De jonge Oostendenaar Rein Dufait gebruikt het soms, maar vooral Jef Meyer (1989, woont en werkt in Antwerpen) bouwt er een heel oeuvre mee op, dat nu getoond wordt in Callewaert-Vanlangendonck Gallery in Antwerpen. We zagen de tentoonstelling nog niet, maar gingen wel op atelierbezoek. En dat zorgt voor een kleine schok: alles ademt er beton. Niet alleen de ingrepen die hij in dat atelier deed, zijn in beton uitgevoerd – een keuken, toilet, trap enzovoorts – maar ook de werken die hij maakt. En dan kan je gaan spelen met de woorden ‘concrete’ (beton in het Engels) en ‘concret’, wat staat voor totaal uitgepuurd, en ‘brutalisme’, zoals we het kennen van architecten als Le Corbusier, Ludwig Mies van der Rohe, Juliaan Lampens en anderen.

In 1929 richtte Theo Van Doesburg het kunstcollectief Art Concret op. Hij was van mening dat de kunst niet tot doel had de waarneembare werkelijkheid te reproduceren. Hij vond dan ook dat zuivere kunst niet uit de ‘natuur’ voortkwam, maar uit de ‘geest’, en om die reden abstract moest zijn. Niet dat Jef Meyer helemaal op dezelfde lijn zit, want bij hem gaat het er ‘organischer’ aan toe, in die zin dat hij met het beton, de mal, de bekisting werkt, met droogtijden, met pigment om het beton kleur te geven. Maar toch zit zijn kunst tussen ‘concrete’ en ‘concret’.

In zijn atelier op Antwerpen-Noord kom je terecht in een wachtkamer, voor de geboorte van nieuwe betonvormen. Uit het rapport van de juryprijs In Situ3 2014, Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen: ‘Jef Meyer werkt voornamelijk in beton. Hij legt de aard van het materiaal bloot, accentueert het, of maskeert het net. Beïnvloed door brutalisme, minimal art en abstractie verkent hij alle mogelijkheden van zijn favoriete materiaal door het te manipuleren en volop te experimenteren met kleur en vorm. Onvolmaaktheden die tijdens dit proces organisch ontstaan, maken integraal deel uit van het kunstwerk. (…) Jef Meyers oeuvre situeert zich op het snijvlak van beeldhouwen, schilderen en architectuur. Bij sommige werken is de lijst geïntegreerd, bij andere is hij met opzet weggelaten, waardoor de muur en de ruimte als frame gaan fungeren. Uit die keuzes blijken duidelijk zijn kwaliteiten als in-situkunstenaar.’

Enkele vragen bij het atelierbezoek. Hoe kwam hij in de galerie Callewaert-Vanlangendonck terecht, die toch vooral gespecialiseerd is in abstracte kunstenaars van de jaren vijftig, G58 en daarna?

Jef Meyer: “Goede vraag. Ik denk omdat ik mee in de lijn lig van de abstracte kunst van toen, maar ik doe dat op een hedendaagse manier.”

MR: Ik vond in enkele teksten over jouw werk de term ‘brutalisme’. Dit jaar overleed Juliaan Lampens, bekend ‘brutalistisch’ architect, van onder meer de woning Van Wassenhove in Sint-Martens-Latem. Ken je zijn werk?


JM: “Een beetje. Ik wou eigenlijk architect worden, maar mijn studies liepen niet zo goed. Maar ik werkte wel graag met beton. Ik vind het een materiaal waar je structuur en kleur in kan brengen, het is stevig en goedkoop. Ik vind het ondergewaardeerd.”

MR: Je werkt met kleurpigment.


JM: “Geen enkel werk van mij is achteraf gekleurd, ik voeg het pigment aan het beton zelf toe. Als het beton hard is, is het werk af en verander ik niets meer. Heel af en toe zal ik het polieren, maar dat gebeurt zelden. Overigens heb ik intussen geleerd dat niet elk pigment goed reageert op cement. Een werk kan stuk gaan. Of ik kan het, als ik het uit de mal haal, gewoon mottig vinden.
Ik speel ook graag met de droogtijden: soms laat ik de mallen weken drogen, soms haal ik het werk er snel uit, zodat er nog wat beton achterblijft in de mal, omdat ik het graag ‘brut’ wil hebben.”

MR: Ik las ook het huizenhoge cliché dat je werk zich bevindt op het snijpunt van beeldhouwkunst, schilderkunst en architectuur. Ben je het daar mee eens?


JM: “Beeldhouwen is stukken hout of steen wegkappen, dat doe ik dus niet. Ik vind mijn werk inderdaad ook voor een stuk schilderen. Maar net als bij Bram Bogart: zijn dat schilderijen of sculpturen? Ik kan en wil dat niet strikt definiëren.”

Jef Meyer zat op het In Situ-departement van de Antwerpse Academie. Hij kreeg nog les van Hans Theys, die hem in de richting duwde van wat hij nu maakt. En van Leon Vranken, die zo’n beetje zijn mentor werd.

JM: “Zijn werk is zo precies en afgewerkt dat het me erg aantrok. Ik maakte toen ook veel in hout, zoals hij, maar dat werd me te afgelikt. Met beton voel ik me beter.”

Sommige werken zijn ingekaderd. Meyer vindt dat bepaalde werken inderdaad een houten kader verdienen, omdat ze anders te ‘trashy’ ogen. Hij hangt de werken ook op aan de muur, weerom dat twijfelen tussen sculptuur en schilderij?

JM: “Ik ga heel organisch te werk. Het beton vindt zijn eigen weg. Ik maak nooit twee keer hetzelfde werk.”