Alles over kunst

Interview  HART Nr. 213

Expo

De driehoeksverhouding

In gesprek met Gert Verhoeven
Kathleen  Weyts

Praktische info

Gert Verhoeven: Spellbound, tot 6 juni in KIOSK, Louis Pasteurlaan 2, Gent. kiosk.art

Par la seule contemplation, le spectateur est, si l’on peut dire, envoyé en possession d’autres modalités possibles de la même œuvre, et dont il se sent confusément créateur à meilleur titre que le créateur lui-même, qui les a abandonnées en les excluant de sa création (1)
— Claude Lévi-Strauss

Tussen het kanaal en de spoorweg vormt de verlaten industriesite Klein Eiland in Anderlecht de toegangspoort tot Brussel. Zoals het vaak gaat met dergelijke uitgerangeerde stadsdelen vormen wereldverbeteraars, creatievelingen en kunstenaars er vandaag de voorhoede in afwachting van het zoveelste ambitieuze stadsontwikkelingsproject. Via een bedrijf dat zich toelegt op leegstandsbeheer krijgen ze hier in ruil voor een bescheiden vergoeding riante maar veelal slecht verwarmde en vervallen werkruimtes ter beschikking. De afgelopen jaren bezocht ik in binnen- en buitenland verschillende van dergelijke sites. Ze roepen altijd een gemengd gevoel op. Ik hou van het tussenmoment waarin deze verloederde productieplaatsen ingepalmd worden door enthousiaste enkelingen en collectieven die er een andere wereld creëren. Het is een periode van fluïde tijd, schoonheid, hoop en energie. Steevast ruimen deze vrijplaatsen uiteindelijk baan voor commerciële ruimtes, kantoren en woningen, in niets nog herinnerend aan het verleden, ontdaan van elke poëzie, ontwikkeld om de nieuwe stadselite te ontvangen, geen plaats latend voor de kunstenaars die er ooit huisden. Voorlopig lijkt dat moment in Anderlecht nog veraf. Door een doolhof van betonnen trappen en gangen loodst Gert Verhoeven me naar zijn atelier en biedt me een koffie aan. Het is een warm weerzien.

Gert Verhoeven, Spellbound, 2021, copyright Isabelle Arthuis

Verhoeven is duidelijk in zijn element. Over enkele weken zal hij voor het eerst sinds lang nieuw werk tonen, in een solo in KIOSK en in een groepstentoonstelling in het vernieuwde Extra City. In de ruimte staan maquettes opgesteld van wat straks sculpturen zullen worden. Glazen flessen in de vorm van varkentjes en fallussen liggen her en der verspreid. In een rek liggen opgerolde handdoekjes met geborduurd opschrift en wat verder valt mijn oog op roze yogamatten. Tegen de muur hangen prachtige panelen van oud behangpapier. Verward probeert mijn geest hier iets uit te distilleren. Verhoeven schuift me een aantal droedels toe en spreekt over 3D-rendering, Hitchcock en whisky-ikebana’s. Ik raak nog meer in de war en zoek naar een houvast. ‘Het gaat over de discrepantie tussen het idee en de realisatie’, verduidelijkt hij. ‘Ik heb ’s nachts soms fantastische ideeën en dan maak ik daar kleine schetsen van in schriften. Onrealiseerbare, absurde dingen die ik titels geef als: Whiskey bag with twelve bells and one song, Whiskey sausage, Authors, Crevettes et cochons, Copy-boules …’ Hij toont me opnieuw zijn droedels en vertelt hoe hij het omzetten van deze nachtelijke verzinsels in 3D-animaties aanvankelijk als een onlineproject zag. ‘Het is gewoon ridicuul, uiteindelijk transformeer ik bij wijze van spreken mijn vuilbak tot een ding.’ Hij toont me enkele onafgewerkte animaties op zijn computerscherm en legt me uit hoe hij ze straks in de ruimte, of het anatomisch theater zoals hij het noemt, van KIOSK wil brengen. Want hoe het ook zij, Verhoeven is en blijft een ruimtelijk denker, iemand die geïnteresseerd is in de verhouding tussen het kunstwerk, de ruimte en de kijker. Daarmee zet hij zich af tegen het kunstwerk dat gereduceerd wordt tot louter idee. ‘Ik vind dat kunst zo dogmatisch geworden is. Het idee wordt vandaag heilig verklaard. Alles wordt daarnaar teruggebracht. Op een gegeven moment wordt er niets meer geschetst, er wordt zelfs niets meer gemaakt. Dan wordt kunst zoiets als: ‘Ik ga een stoel aan het plafond hangen’. Hoezo? Welke stoel? Hoe hoog ga je die hangen? Is het wel een goed idee? Die vragen worden niet meer gesteld. Ook in het museum wordt tegenwoordig alles gereduceerd tot ‘de boodschap’ van de kunstenaar. Ik vind dat problematisch. Want wat is een idee? En hoe verhoudt zich dat tot het kunstwerk, zijn realisatie? Voor dit project ben ik vertrokken van losse associaties, van kattenbelletjes tot spirits. Ik heb me de vraag gesteld of mijn nachtelijke inspiraties überhaupt tot iets kunnen leiden.’

Gert Verhoeven, Spellbound, 2021, copyright Isabelle Arthuis

De tentoonstelling in KIOSK kreeg de titel Spellbound. Wil je ons betoveren?

‘Het is een knipoog naar Hitchcock.’ Verhoeven lacht en verduidelijkt: ‘Tijdens een legendarisch zeven dagen durend interview in 1962 (dat later zijn neerslag kreeg in Le cinéma selon Alfred Hitchcock, kw) vraagt de Franse filmmaker François Truffaut de grootmeester of hij zich voor zijn films soms baseert op dromen. Hitchcock beweert stellig van niet en vertelt het verhaal van een scenarioschrijver die ervan overtuigd is dat hij zijn beste ideeën ’s nachts heeft. In de ochtend blijkt hij ze telkens vergeten te zijn en dus besluit hij pen en papier op zijn nachtkastje te leggen. Het geweldige idee dat hem de volgende nacht te binnen schiet kan hij zich tijdens de ochtendlijke scheerbeurt niet meer herinneren, maar gelukkig schreef hij het neer. Op het papiertje naast zijn bed staat ‘BOY MEETS GIRL’ gekribbeld. Hitchcock concludeert hieruit dat wat ’s nachts briljant lijkt bij het ochtendgloren vaak ontnuchterend zwak uitvalt. Maar ik wil niets weggooien. Ik heb mijn nachtelijke droedels gearchiveerd en ze werden uiteindelijk het uitgangspunt van dit project.’

In 2014 maakte Verhoeven een editie die hij Terapija doopte. Tijdens een performance in LLS schonk hij drie verschillende cocktails in op tafels gearrangeerde glazen. De actie werd begeleid door de muziek van Yma Sumac. Het met Terapija en volume-eenheden bedrukte glas en de bijhorende gebruiksaanwijzing met de recepten van de cocktails en de muzieklijst van zangeres Yma Sumac vormden de ingrediënten van een succesvolle (groeps)therapie. Nu maakt hij whiskysculpturen. Wat heeft de kunstenaar met alcohol? En waarom whisky? ‘Omwille van de mooie gouden gloed, maar ook omwille van de associatie met het geestelijke. Men spreekt niet voor niets van spirits in het Engels, geestrijke drank. Ik associeer het tegelijkertijd met het excessieve, en ik bedoel dan niet een verslaving aan drugs of alcohol, maar het tot het uiterste drijven van iets. Zoals in de sport. Een topsporter gaat net als een kunstenaar bepaalde excessen aan. Hij vraagt extreem veel van zijn lichaam en wil altijd opnieuw grenzen verleggen. Door kunst tot iets rationeels te herleiden ontdoe je haar van de essentie. In kunst wordt een soort limiet gepasseerd. Die verbinding tussen het geestelijke en het lichaam, tussen de materie en het idee, die gecontroleerde ongecontroleerdheid waarbij je in een bepaalde geestesgesteldheid komt die je in staat stelt om een specifiek werk te maken, dat is wanneer er iets bijzonders gebeurt.’

Gert Verhoeven, Spellbound 2021 foto Isabelle Arthuis

Zoals bij ikebana?

‘Ook een ikebana vertrekt niet van een idee. Je gaat de natuur in, je vindt een stok en een bloem en je maakt daar een compositie mee. Je gaat een symbiose aan met die elementen. Ik gebruik in deze ikebana’s bewust de modernistische kleuren, blauw, rood en geel. Ik speel zo met de kunstreferenties, want ook humor is zeer belangrijk in mijn werk. Net als Deleuze. Bij hem is iets nooit iets op zich, het is altijd de ontmoeting tussen de elementen, of tussen geest en materie, die maakt dat er iets ontstaat.’

Ik lach. Het is lang geleden dat Deleuze nog eens opdook in een gesprek. Er was een tijd waarin je geen tekst door kunstenaars of curatoren geschreven kon vinden zonder dat er verwezen werd naar Gilles Deleuze.

‘Ach ja, de man is dood ondertussen en bij de jongere generatie misschien wat in de vergetelheid geraakt. Maar voor mij blijft hij relevant. Hij heeft ooit in een van zijn boeken een klein tekeningetje opgenomen, visagéité, je krijgt eerst een gezichtje: twee oogjes, een neusje en een streepje, vervolgens krijg je een verdubbeling van die streepjes, dan krijg je ineens twee personen in één persoon, dan wordt dat nog eens verdubbeld … Dat principe heb ik eigenlijk toegepast in de uitwerking van Authors. Ik werk bijna altijd in series en liefst laat ik twee series met elkaar communiceren. In KIOSK toon ik in feite drie soorten sculpturen: schetsen van sculpturen, virtuele en effectieve sculpturen, het wordt een carrousel en het publiek laveert daartussen. De interactie die hierbinnen ontstaat vind ik interessant. Tegelijkertijd gaat het over de demythologisering van de kunstenaar. Ik heb de filmpjes laten uitvoeren door iemand die met 3D overweg kan (Alfred Campenaerts, kw) en vervolgens heb ik iemand betrokken die animaties kan maken (Filip Anthonissen, kw). Ik leidde bij wijze van spreken een mini-productiebureau. Uiteindelijk bleek er zich uit al die vreemde droedels toch een samenhangend verhaal op te dringen. Hoe materialiseert een kunstenaar zijn ideeën? Het idee en de creatie, de realisatie, verhouden zich op ambigue wijze, inspiratie is vluchtig en het auteurschap is relatief.’

Ligt wat je voor Extra City maakt in het verlengde?

‘Ik ga er zes Kama Sutra’s tonen. Ik ben aan een hele reeks bezig. De 64 posities van de Kama Sutra.’

Gert Verhoeven, installatiezicht Kama Sutra 2021, Extra City courtesey de kunstenaar

Erotische sculpturen?

‘In het Victoriaanse tijdperk vertaalde een zekere Richard Burton de Kama Sutra uit het Hindi. Maar de vertaling leed onder de preutse Engelse ingesteldheid. Het gaat over zoveel meer dan seksuele handelingen en posities, het is een filosofie. Vandaag heeft de Kama Sutra die louter erotische connotatie gekregen, het is gevulgariseerd. Maar wat mij hier interesseert is de verhouding tussen het geestelijke en het lichamelijke. In het Westen wordt het geestelijke beschouwd als het hoogste. Het lichaam van Christus wordt gesymboliseerd, alsof Christus geen lichaam had maar puur geest was. In het taoïsme en het boeddhisme is het hoogste het lichaam. De Kama Sutra gaat over het één maken van geest en lichaam. Je zou kunnen zeggen dat ook Broodthaers met zijn eitjes daar altijd mee bezig geweest is, net als Franz West op zijn manier. Je vindt dat zelfs terug bij Magritte: hoe materie, verf in zijn geval, en het idee zich tot elkaar verhouden. Ze doorbreken de representatie of liever het representatief denken. Op zich is het bizar dat daar in de beeldende kunst zoveel om te doen is. Als je het vergelijkt met muziek, dan is de vraagstelling naar de idee achter de muziek veel minder, het gaat niet om wat de muziek betekent maar om wat ze teweegbrengt. In de kunst daarentegen wordt alles gereduceerd tot betekenis, alsof het om eenrichtingsverkeer gaat. ‘Ik wil daar iets mee zeggen’. Bij Duchamp ging het over le processus créatif: je hebt het object, het urinoir, ik heb dat daar gezet, omgedraaid, ik heb er een titel aan gegeven en jij kijkt er nu naar. Het creatieve proces is in werkelijkheid een driehoeksverhouding.’

Die jij nu vertaalt in Kama Sutra-sculpturen?

‘Ja, readymade bronzen objecten die ik positioneer op roze yogamatjes met bijhorende handdoekjes en ik geef ze Duitse titels: Die Weit geöffnete Stellung, die Hochgerundete Stellung, der Großer Wagen, der Balanceakt, der Waffenstillstand … Het klinkt een beetje als muziek, vind je niet?’

Een perfecte installatie voor het Middelheimmuseum lijkt het me, zo’n serie Kama Sutra’s in het groene gras. Zijn er plannen in die richting?

‘Neen, nog niet. Ooit wou ik een gele fontein maken voor het Middelheim. Maar Menno (Meewis, toenmalig directeur, kw) dacht dat ik de draak met hem stak, hij was bang dat mensen zouden denken dat het een pissoir was en dus is het nooit gerealiseerd. Philippe Van Snick heeft dan een fontein gemaakt en een beetje later installeerde Franz West een pissoir in Het Middelheim. Lawrence Weiner schreef op de muur: Iron & Gold in the Air, Dust & Smoke on the Floor. Ik vroeg Menno of hij wist waar Weiner op doelde. En hij antwoordde: ‘Weiner baseerde zich op een tekst die hij gevonden heeft in een boek over de oorlog.’ Waarop ik repliceerde: dat citaat heeft hij daar misschien inderdaad gevonden maar wat Weiner hier echt zegt is dat heel die ijzerwinkel die in het park staat de lucht in moet, het eigenlijke kunstwerk is niet materieel. De concept art wilde het kunstwerk bevrijden van zijn materialiteit. Ik wil dat niet aanvallen, maar zoals ik eerder al zei, is dat nu gedogmatiseerd en geacademiseerd en dat is iets wat mij tegensteekt. En ja, ik zou zeer graag een project realiseren in het Middelheim.’

Verhoevens relatie tot de kunstwereld liep niet altijd over rozen. Het kwam tot een breuk met zijn galerie en het werd de afgelopen jaren stil rond hem. Is dit een comeback?

‘Ik had de reputatie een moeilijke te zijn. En tot op zekere hoogte klopt dat misschien wel. Ik werd altijd beschouwd als de poulain van Jan Vercruysse. Ik heb Jans werk en ook zijn persoon altijd fantastisch gevonden, maar zijn principiële attitude heeft in zekere zin bijgedragen tot zijn ondergang. Jans dandyisme was op een gegeven moment voorbijgestreefd. Op een of andere manier heb ik hem wel altijd als voorbeeld genomen. Ach, uiteindelijk komt het ook neer op perceptie. Walter Swennen wordt vandaag door sommigen beschouwd als een anarchist omdat hij zijn cultuurprijs wegschonk aan de PVDA. Over Franz West wordt zoiets niet gezegd. Ik ken nochtans geen grotere anarchist dan Franz West. In de laatste reeks werken van Walter Swennen bij Hufkens zat een werk dat is opgedragen aan Vercruysse. Ze kenden elkaar niet echt goed nochtans, maar Swennen heeft blijkbaar wel een grote waardering voor de wijze waarop Vercruysse zich verhield tot de kunstwereld. Een beetje tegendraads, zoals hij dat zelf ook een beetje is. Je moet je ziel toch niet zo makkelijk verkopen? Vandaag voelt als een nieuw begin, nu ja nieuw, ik kan gewoon terug bezig zijn met mijn werk. Dat interludium is al bij al goed geweest. Anders word je op een gegeven moment toch opgeconsumeerd en dan is het over. En ja, ik ben door een diep dal gegaan. Het was ofwel van het balkon springen, ofwel terug bezig zijn met mijn werk. Als ik kijk naar Swennen, die jaren geploeterd heeft vooraleer hij echt is doorgebroken, maar er vandaag wel nog altijd staat, en ik vergelijk dat met Vercruysse die in zijn carrière grote roem gekend heeft maar uiteindelijk geëindigd is als vergane glorie, dan opteer ik liever voor het Swennen-scenario. Het voelt heel fijn om vandaag in KIOSK te kunnen werken en om straks ook nieuw werk te kunnen tonen in Extra City.’

Je koestert een grote bewondering voor Franz West?

‘Ik ga nooit zover geraken als West. Ik hou van zijn radicaliteit. Voor hem is een kunstwerk iets dat je onder je arm neemt en waar je mee op stap gaat, het is een gebruiksvoorwerp. Deleuze spreekt op eenzelfde manier over een boek. Een boek lees je niet van het begin tot het einde. Je doet het open en er staan bepaalde paragrafen in, je kan daar iets mee aan of niet, het bevat geen waarheid. Ook een kunstwerk bevat geen waarheid, het is iets waar je mee in relatie gaat en dat je iets bijbrengt. Communicatie en informatie zijn de twee grootste ziektes van vandaag. Dat zei Deleuze dertig jaar geleden al. Ik zie nu kunstenaars die hun werk bijna opvatten als een branding van zichzelf. Dat is zo oppervlakkig. Als je dan kijkt naar het werk van Alice Neel, dat is feministisch van inslag, akkoord, maar het is zoveel meer dan dat! Waarom moeten kunstenaars tegenwoordig trouwens zo vaak lezingen geven? Dat is toch niet de job van een kunstenaar, om de ‘leraar’ uit te hangen? Kunstenaars moeten destabiliseren, iets nieuws genereren. Heb jij ooit een lezing van Duchamp gezien? Neen. Van Broodthaers? Neen. Van West? Neen, of ja, er bestaat wel een opname van een beruchte talk met hem, Sarah Lucas en Andreas Reiter Raabe in The Royal Institution in Londen, de Energy Diaries. West had zijn roze sokken aan, er hingen overal rode lampjes en ze zaten gezellig wat te keuvelen, af en toe onderbroken door muzikale interventies. Op een gegeven moment is er iemand in het publiek die zijn geduld verliest en roept: ‘Kunnen jullie nog eens iets zeggen waar we iets kunnen van leren?’ Waarop Franz West reageert: ‘Wat wil je leren? Zeg het ons en dan zullen wij dat zeggen, als het dat is wat je van ons verwacht’. Als je kijkt naar het werk van West, naar dat object dat daar staat op een sokkel en waar je vandaag eigenlijk niet meer mag aankomen. Wel, oorspronkelijk was dat niet zijn bedoeling. Wat dan wel? Zijn Passstücke, daar doe je mee wat je wilt. Steek het tussen je benen, zet het op je hoofd. Of kijk naar zijn zetels, idem dito: ga erin liggen. Je wordt één met het kunstwerk, het krijgt een functionaliteit waar jij zelf iets moet mee doen. Dat is zo rijk. Dat is wat mij betreft de echte desacralisering van het kunstwerk.

Het kunstwerk kan niet één boodschap brengen?

‘Dat is onmogelijk! Broodthaers heeft constant getracht om de zaken te destabiliseren. Het zijn alleen de grootsten die dat kunnen, zij die het minst vatbaar en het meest enigmatisch zijn. Deleuze had een afkeer van de Franse literatuur. ‘Ils veulent faire le point’, zei hij daarover, ze willen een punt maken. Terwijl het erop aankomt hoe je de dingen kan opengooien. Een goede schrijver die maakt iets nieuws en op een gegeven moment krijgt dat dan de naam van die schrijver: kafkaiaans, beckettiaans. Wel in de kunst werkt het net zo. Neem nu John Chamberlain, nog iemand van wiens werk ik ontzettend hou. Daarover lees je dan dat het gaat over Amerikaans zijn, ingedeukte auto’s als commentaar op de consumptiemaatschappij. Maar neen! Chamberlain dat is jazz, freejazz! Hij heeft ook ‘zetels’ gemaakt, die stonden fantastisch opgesteld in het Guggenheim in New York. Franz West heeft goed naar Chamberlain gekeken, dat is zeker. Ik moet ook denken aan het concept van de bricoleur zoals dat door Claude Lévi-Strauss omschreven wordt (in La pensée sauvage, kw). Wat doet een bricoleur? Mijn stoel is kapot, er is een poot afgevallen. Ik ga geen nieuwe poot maken. Maar ik heb daar nog ergens een stuk paraplu liggen en een beetje tape. En daarmee zal het ook wel lukken. Wat is het dan: een stoel of een paraplu? Het is een stoel-paraplu, dat doet er nu eigenlijk niet meer toe, je kan er terug op zitten. Dat is West ten voeten uit: het leven ontlasten van te zware betekenissen.’

(1) Citaat uit La pensée sauvage, eerste hoofdstuk: La science du concret, Claude Lévi-Straus, 349 p., Agora, 1962, Librairie Plon