Alles over kunst

Expo  HART Nr. 197

Het vloeibare leven

De Biënnale van Lyon
Colette Dubois

Praktische info

De biënnale van Lyon tot 5 januari 2020. www.biennaledelyon.com

De biënnale van Lyon wordt beschouwd als een van de belangrijkste biënnales ter wereld. In tegenstelling tot die van Venetië hier geen decadente feestjes of yachten, maar een internationale tentoonstelling met daarnaast ook Veduta, een experimenteel programma in verschillende wijken, en Résonance dat meer dan 260 tentoonstellingen omvat in de wijde regio Rhônes Alpes. Deze vijftiende editie vormt een kantelmoment in haar geschiedenis: Thierry Raspail, oprichter en artistiek directeur, geeft de fakkel door aan Isabelle Bertolotti; de site La Sucrière, aan de rand van de Saône, wordt omgeruild voor usines Fagor, een oude fabriek van wastobben in de wijk Gerland. De macLyon is, net zoals de vorige edities, de tweede locatie van de biënnale. Maar deze editie is ontgoochelend: ondanks de keuze om beroep te doen op minder bekende kunstenaars, krijg je als bezoeker niet het gevoel boeiende ontdekkingen te doen.

Simphiwe Ndzube, Journey to Asazi, (détail), 2019, courtesy of the artist and Nicodim Gallery, Bucharest/Los Angeles ; STEVENSON, Cape Town/Johannesburg/Amsterdam. Behind: Léonard Martin, La Mêlée, 2019, courtesy of the artist. Background: Chou Yu-Cheng, Goods, Acceleration, Package, Express, Convenience, Borrow, Digestion, Regeneration, PAPREC Group, (détail), 2019. Courtesy of the artist and PAPREC Group, © Blaise Adilon
Wel bijzonder aan deze biënnale is de manier waarop ze zich inschrijft binnen de economische dynamiek van de metropool Lyon. In de eerste plaats door het gebruik van industrieel braakland: door La Sucrière kreeg de wijk Confluences een nieuw gezicht, de verhuis van de biënnale (en de organisatie van andere culturele evenementen) naar de site van Usines Fagor zou moeten leiden tot de gentrificatie van de buurt die begin deze eeuw nog industrieel was. Daarnaast is er ook – wat nieuw is aan deze editie – de wil om de productie van kunstwerken te laten uitvoeren door lokale bedrijven. De ongeveer vijftig kunstenaars die dit jaar zijn uitgenodigd werden aangemoedigd om partnerschappen aan te knopen met industrieën in de regio. Ze krijgen zo een symbolische valorisatie en vitrine.

Zeven curatoren…

Jean de Loisy, oorspronkelijk aangesteld als curator van deze editie, werd ondertussen tot directeur benoemd van de Ecole nationale supérieure des beaux-arts de Paris. Hij gaf zijn taak door aan zeven jonge curatoren van het Palais de Tokyo: Daria de Beauvais, Adélaïde Blanc, Yoann Gourel, Matthieu Lelièvre, Vittoria Matarrese, Claire Moulène en Hugo Vitrani. De zeven curatoren hebben geen thema vastgelegd. Ze hebben alleen een titel ontleend aan een gedicht van de Amerikaanse schrijver Raymond Carver: Là où les eaux se mêlent (Where water comes together with other water). Het is een rechtstreekse verwijzing naar de geografische ligging van de stad op de plaats waar de Rhône en Saône samenkomen. Maar de zeven curatoren roepen ook de notie van het landschap op. Ze zouden ook nog een relatie hebben kunnen leggen (en verder uitwerken) met het concept van de ‘vloeibare moderniteit’ dat werd bedacht door de socioloog Zygmunt Bauman om de overgang van onze maatschappij te omschrijven van het solide tijdperk van producenten naar het vloeibare tijdperk van de consumenten. Het ‘vloeibare leven’ (titel van een van de werken van Bauman) is bruisend, dobberend, onstabiel en steeds veranderend.

De curatoren hebben de titel meegegeven aan de kunstenaars en hen gevraagd rekening te houden met de geschiedenis en architectuur van de locaties (waarvan alleen al de afmetingen opmerkelijk zijn). Op dezelfde manier hebben ze samen een vijftigtal kunstenaars uitgekozen – de meesten niet zo bekend – uit alle continenten, zonder een scene, territorium of generatie te willen representeren. De site van de Halles des Usines Fagor (29.000 m2 tentoonstellingsoppervlakte) bestaat uit vier hallen. Ook daar hebben de curatoren gekozen om niet tussenbeide te komen. De volumes werden niet aangepast en je kan er ook nog sporen zien op de grond (getuigen van noeste arbeid) en tags (getuigen van de verloedering van de plek). In de eerste hal die ongeveer de helft van de tentoonstellingsruimte bedraagt, bezorgt de gigantische schaal je hoofdpijn en moeten de werken, zelfs de monumentale, het onderspit delven en slagen ze er niet in om een band aan te gaan met de architectuur. Het is moeilijk om verbanden te vinden tussen beide en om interactie te bewerkstelligen tussen de werken en de toeschouwers. Het foldertje aan de ingang, de titel- en tekstbordjes bij elk werk en de tekst van de curatoren bieden geen hulp, aangezien ze geschreven zijn in een pretentieus jargon, met weinig zeggende pseudo-intellectuele zinnen.

... en de werken

Wat de curatoriële mankementen ook mogen zijn, een biënnale draait uiteindelijk vooral om de kunstenaars. Sommigen hebben zich laten inspireren door de arbeid in een fabriek, zoals Stephen Powers op de voorgevel, de tentoonstelling Bureau des pleurs die werd samengesteld door een collectief van jonge kunstenaars uit Lyon, of de mooie geluidsinstallatie van de Française Marie Reinert met allerlei geluiden van industriële arbeid.

Sam Keogh, Knotworm, 2019, courtesy of the artist and Kerlin Gallery, Dublin, © Blaise Adilon
Anderen gaan de confrontatie met de ruimte aan door monumentale werken voor te stellen. Bij de meest interessante: de dubbele processie van personages van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar Simphiwe Ndzube, *Knotworm* van de Ier Sam Keogh, de fluo waterpartij van de Koreaanse Minouk Lim of de architecturale installatie van haar landgenote Yona Lee. In de chaos van de fabriek overtuigen sommige werken door hun poëtische kracht, zoals de reactivering van een zevenvoudige projectie van de Brit Gustav Metzger. De installatie van de Vietnamese kunstenaar Thão Nguyên Phan combineert schilderijen op zijde, kruisbogen en schroeven van vliegtuigen. De kleine videoprojecties van de Chinese kunstenaar Lee Kit slagen erin wat intimiteit te brengen in de grote hallen. De Kosovaar Petrit Halilaj stelt *Shkrepëtima* voor (bliksem of vonk in het Albanees), een monumentale installatie die de proporties herneemt van het voormalige Casa della Cultura in Runik. Daar heeft hij een performance uitgevoerd waarvan je de film kan zien in een *black box*. De kunstenaar verbindt het gebouw van Runik met dat van de Fagor fabriek en toont zo de gelijkenissen.
Minouk Lim, Si tu me vois, je ne te vois pas, (détail), 2019, courtesy of the artist and Tina Kim Gallery, New York. photo Colette Dubois
Verandering van decor en concept in macLyon waar de accrochage klassiek museaal is. Twee van de drie verdiepingen zijn gewijd aan Dewar & Gicquel, een duo dat zeer aanwezig is op de kunstmarkt. Ze stellen een corpus werken voor dat erg braaf is. Banken, buffetten en bas-reliëfs die mooi zijn uitgehouwen in massieve eik staan op een rij zoals in een meubelwinkel. De gebruikswaarde van de objecten gaat zo samen met het rustieke in een combinatie van dierlijke figuren en menselijke organen. De immersieve picturale ‘environments’ van de Zwitserse Renée Levi getuigen van een nieuwe gestualiteit die is geïnspireerd op *street art* en het decoratieve. Hier is de meest interessante interventie die van de jonge Franse Gaëlle Choisne. Haar installatie stelt een gesloten universum voor, afgeschermd van de buitenwereld, waarin foto’s, objecten in keramiek, kettingen en textiel samengaan om te verschijnen als resten van het leven op aarde.

Het IAC de Villeurbanne maakt voortaan ook deel uit van de biënnale. Installaties van jonge kunstenaars volgen elkaar braaf op van zaal tot zaal. Hun werk is divers maar zorgt desondanks voor een gevoel van déjà vu (in het beste geval). Er spreekt een behoorlijk depressieve visie op de wereld uit.