Alles over kunst

Interview

“Mijn zintuigen werden hier meer geprikkeld dan mijn verstand”

Stijn Ank in Academia Belgica te Rome
Sam Steverlynck

Praktische info

Stijn Ank, Poems to Rome, tot 28 februari in Academia Belgica, Rome (IT), www.academiabelgica.it

Sommige kunstenaars hebben - om een of onverklaarbare reden - meer succes in het buitenland dan in eigen land. Stijn Ank lijkt zo’n kunstenaar te zijn. Hoewel zijn werk al te zien was in het S.M.AK., Netwerk Aalst en CIAP Hasselt, is het toch vooral in het buitenland dat hij hoge ogen gooit. Of het nu is bij zijn vaste galerie Michael Jansen in Berlijn, in het Casino de Luxembourg of in Taiwan.

Ank is van opleiding architect en dat kan je ook merken in zijn werk. Hij maakt mallen waar hij plaaster in giet, in combinatie met pigmenten. Het resultaat, dat nooit op voorhand vastligt, bevindt zich ergens in de schemerzone tussen schilder- en beeldhouwkunst. Soms gebruikt hij zelfs een ruimte (of delen ervan) als mal. Zo realiseerde hij voor de Kunst Nu- ruimte in het S.M.AK. een afgietsel van de – onzichtbare – assen waar de hoeken elkaar snijden.

We zochten de kunstenaar op naar aanleiding van zijn residentie in Academia Belgica in Rome die wordt afgerond met een tentoonstelling. De Academia Belgica is een van de veertigtal residentieplekken die over het prachtige Villa Borghese park verspreid liggen. Het is een initiatief dat teruggaat tot Mussolini die verschillende landen uitnodigde om er ‘culturele ambassades’ op te zetten voor onderzoek. De Academia Belgica is een kloek gebouw, in een eerder strenge, modernistische stijl dat uitkijkt op het prachtige Galleria Nazionale d’Arte Moderne e Contemporanea dat kan uitpakken met een aantal fraaie De Chirico’s.

Stijn, kan je iets meer vertellen over de aard van de residentie?

De Academia Belgica is een residentieplek voor onderzoek en research. Elk jaar worden er naast diverse onderzoekers ook twee kunstenaars geselecteerd, iemand uit de Vlaamse en iemand uit de Franstalige Gemeenschap. Sinds kort wordt de Academia geleid door Sabine van Sprang, die voordien voor de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten werkte in Brussel. Ze wil de plek een nieuwe dynamiek geven en het aandeel van de beeldende kunst verhogen. Zo wil ze de Academia ook duidelijker profileren door na elke residentieperiode de mogelijkheid te geven voor een aansluitende tentoonstelling.

Poems to Rome, Academia Belgica, 2020, pigmented plaster 60 x 32 x 12 cm (c) Stijn Ank

Mijn werk is op zich niet zo nauw verbonden met een dergelijke notie van onderzoek. Maar ik ben heel blij dat ik deze residentie heb gedaan. Het heeft tot nieuwe inzichten geleid. Maar ik ben niet het soort kunstenaar dat van de ene residentie naar de andere hopt. Ik heb voordien wel residenties gedaan in Künstlerhaus Bethanien in Berlijn en in Taiwan. Sabine merkte terecht op dat er in Bethanien op voorhand al een zeker context is. Het is meer verbonden met galeries, open studio’s, met netwerken en exposure. Hier zit je haast op een eiland. Je zit aan de rand van de stad, maar toch ben je verbonden met het centrum van Rome. En je bent hier samen met onderzoekers die vanuit een totaal andere achtergrond komen. Het is niet het soort plek die al volledig geassocieerd wordt met de hedendaagse kunstwereld. En dat vind ik goed.

Je bent je residentie in september 2019 begonnen en hebt die nu beëindigd. Hoe kijk je terug op die periode en welke invloed heeft het op je werk nagelaten?

Het uitgangspunt voor deze residentieplek is een connectie met Rome. Inherent aan mijn werk is de fresco techniek. Aanvankelijk was ik niet zo happig op die term omdat die doorheen de tijd soms een te vast beeld oproept. Puur technisch klopt het omdat het gaat om de techniek van de plaaster die inderdaad inherent is aan het werk. Ik wou in Rome zijn om die traditie te onderzoeken. Sabine heeft me in contact gebracht met mensen van de Temple University die een afdeling hebben waar ze onderricht geven in de restauratie van fresco’s. Het was voor mij zeer boeiend om me te verdiepen in die techniek.

Ik ben naar hier gekomen met heel weinig bagage. Ik heb met de tools gewerkt die ze me hebben gegeven. Zo gebruiken ze hier pigmenten die ik niet ken en een gesso di Bologno, terwijl ik gewoon ben te werken met plâtre de Paris, wat meteen heel anders reageert. Op zich was dat al boeiend om zo andere dingen toe te laten. Maar dat was niet het belangrijkste voor mij. Het ging meer om de nieuwe context. Ik was hier vroeger al geweest als toerist. Maar als je hier woont, heb je toch een andere attitude. In zo’n sfeer begin je werk te maken dat vrij en open is van betekenis. Je moet daarom ook een vorm van onbezonnenheid omarmen. Ik ben het soort kunstenaar dat soms lang wacht. Bij de onderzoekers werd hier sterk gehamerd op discipline en veel werken. Dat is natuurlijk belangrijk. Maar je moet ook discipline hebben om niets te doen. De zaken leeg laten, een soort verlangen in je hoofd hebben. En dat verlangen werd bij mij geprikkeld door de zintuigen: licht, smaak, maar ook kleur. Het klimaat is hier ook anders. Het is nu januari, vijftien graden, en we zitten nog steeds buiten!

Rome oefent al eeuwenlang invloed uit op diverse kunstenaars. Wat spreekt jou zo aan in deze stad ?

Poems to Rome, 2019, pigmented plaster, metal frame, 82 x 77 x 20 cm (c) Stijn Ank

Als Europeanen dragen we een grote geschiedenis mee op onze schouders. Als hedendaagse kunstenaar moet je die proberen van je af te schudden. Wat niet wil zeggen dat je een tabula rasa moet maken. Toen ik hier als toerist kwam, was ik voortdurend bezig die geschiedenis te lezen. Maar als je hier leeft, maakt dat deel uit van het gewone leven. Een museum wordt iets waar je terloops ’s avonds binnenspringt omdat er een vernissage is. In de openbare ruimte zie je soms toevallig fresco’s. Je zintuigen worden meer geprikkeld dan je verstand. Dat is de kracht van deze residentie.

Zoals je al eerder aangaf had je hier niet de middelen zoals in je studio in België. Ik ken vooral je grote, ruimtelijke ingrepen in het S.M.A.K., Casino de Luxembourg of Club Solo in Breda, waarvoor je een werk maakte over twee verdiepingen. Hier is je studio veel kleiner. Heeft die schaalverkleining ook een invloed op je werk gehad?

Mijn studio werken hadden vanaf het begin al een bepaalde schaal. Ik denk dat dat ook te maken heeft met mijn eigen fysiek en de ruimte. Toen Philippe Van Cauteren me opzocht, vroeg hij: ‘Waarom maak je niet naast mallen in de ruimte ook mallen van en met de ruimte?’ Dat heeft onmiddellijk voor twee luiken in mijn werk gezorgd: het studio werk en het in-situ werk. Maar ook al maak ik studio werk, ik heb toch altijd de indruk dat ik in-situ werk maak. En dat de ruimte waarin je werkt ook een impact heeft op wat je maakt. Als je in een bepaalde ruimte iets probeert te doen, dan kruipt het in je werk: in de schaal, maar ook de textuur. Mijn studio is hier klein, en dat was vanaf het begin een uitdaging. Ik denk dat echte vrijheid gecreëerd wordt als er voldoende beperkingen zijn van buitenaf.
Vroeger vond ik dat een werk een grote schaal moest hebben om het zintuigelijk voldoende te ervaren. Dat is nu veranderd. En misschien ook de attitude dat dingen mogen falen. Op mijn tentoonstelling toon ik een twaalftal werken. Maar ik heb er minstens evenveel weggegooid.

Kan je iets meer vertellen over je werkwijze en hoe die hier al dan niet is veranderd?

Giotto (c) Stijn Ank

Ik begin met het maken van mallen die ik nadien giet met gepigmeteerd gips. Als de mal vol is, of de leegte eruit is gegoten, is het werk voor mij klaar. Wanneer de mal opengaat beslis ik of het een leven beschoren is of niet. De mal moet de druk houden. Maar ik sta hoe langer hoe meer open voor het moment dat die de druk niet meer houdt en openbarst. Een paar jaar geleden was dat voor mij het moment om alles op te kuisen en een nieuwe mal te maken. Nu zijn het zaken die ik toelaat. De mal mag openbarsten. In die momenten van ‘falen’, momenten die je niet meer controleert, kunnen heel interessante dingen gebeuren. Ik heet die ‘mislukte’ werken om ze toch maar een naam te geven ‘props’. Ik toon er op mijn tentoonstelling ook enkele van.

Doordat ik hier minder middelen had, heb ik de mallen gemaakt met dingen die ik ter plaatse heb gevonden, zoals plastic, hout of rubber. Daardoor zijn mijn werken fragieler geworden. Het resultaat is ook anders door de pigmenten en gipsen waarmee ik heb gewerkt. Als kunstenaar moet je daar soms ook mee opletten: soms gebeurt er iets per toeval, maar dan moet je die voor nieuw werk niet opnieuw proberen uitlokken. Er zijn dus heel wat nieuwe dingen gebeurd waardoor de werken puurder zijn geworden en hun eigen fragiliteit meer toelaten.

www.stijnank.com