Alles over kunst

Inzicht

De regels van de kunst

Over de zin en onzin van kunstprijzen
Pieter Vermeulen

“Wedstrijden zijn voor renpaarden, niet voor kunstenaars”, zo zou de Hongaarse componist Béla Bartók ooit gezegd hebben. Kunstprijzen liggen vandaag sterk onder vuur, en niet in het minst door kunstenaars zelf. Neem nu de laatste editie van de Turner Prize, de meest prestigieuze kunstprijs in het Verenigd Koninkrijk. Op vraag van de finalisten werd niet één enkele winnaar uitgeroepen, maar werd het prijzengeld solidair verdeeld onder de vier genomineerden: een symbolisch gebaar. Maar zo vlot verloopt het niet altijd. Eind vorig jaar nog werd de BelgianArtPrize (BAP) voor de tweede keer geannuleerd nadat het directiecomité liet weten de eisen van de deelnemers niet te willen of kunnen inwilligen. Kunstenaars zijn aan de regels gaan morrelen en dat is hen niet in dank afgenomen. Maar wat schort er aan kunstprijzen? En waar komt het artistieke ongenoegen vandaan?

© Übergöttin

Spelregels

Kunst heeft gemeen met sport en spel dat ook zij afhankelijk is van regels. Wat verschilt is de mate waarin en de manier waarop. Een spel spelen is een serieuze bezigheid, want wie de regels niet volgt doet niet meer mee. Het is binnen of buiten, meedoen of toekijken, winnen of verliezen – zo simpel is het. In de professionele sport wordt competitiviteit op de spits gedreven als een motor voor uitmuntende prestaties. Kunstenaars kleuren iets minder binnen de lijntjes. De regels van de kunst zijn anders dan in sport en spel, ze zijn veranderlijk, betwijfelbaar, onderhandelbaar, dat wil zeggen: de regels kunnen zélf op elk moment tot voorwerp van spel worden. Wie kunstenaars laat deelnemen aan een wedstrijd krijgt dus geheid problemen, vroeg of laat. Maar voor deze problemen zijn geen simpele oplossingen voorhanden, zoals via de invoering van quota of een verhoging van de financiële inzet. Dergelijke accenten zijn uiteraard wel van belang, maar op de keper beschouwd zijn het slechts cosmetische ingrepen. Er lijkt namelijk veel meer op het spel te staan, waardoor tegelijk de vraag rijst of kunstprijzen wel alle schuld treffen. Laten we een drietal prominente voorbeelden nemen.

IJsberg

In 2017 ging de Duitse Preis der Nationalgalerie naar Agnieszka Polska, een kunstenaar van Poolse afkomst die al geruime tijd in Berlijn woont. De tweejaarlijkse prijs geniet prestige ondanks het ontbreken van een geldsom: de winnaar krijgt een solotentoonstelling in een gevestigd instituut te Berlijn. Na de uitreiking echter uitten de vier (vrouwelijke) kunstenaars op de shortlist in een open brief hun bezorgdheid over de manier waarop hun gender en (buitenlandse) nationaliteit, eerder dan de inhoud van hun werk, consequent werden uitgespeeld in de communicatie rond de kunstprijs. Factoren als deze zijn heterogeen aan artistieke merite, kwaliteit of hoe je het ook wil noemen.

Daarbij komt de vraag waarom er geen kunstenaarshonorarium voorhanden is bij een toonaangevende prijs als deze? Is dat niet precies wat er mis is met de kunstwereld: de structurele uitbuiting van kunstenaars onder de continue belofte van exposure? Het lijkt erop dat de hedendaagse kunstindustrie vooral geïnteresseerd is in de belofte als belofte, en gradueel haar belangstelling verliest als het gaat om de inlossing daarvan. In dat opzicht zijn kunstprijzen slechts het topje van de ijsberg. Ook de concurrentiële toon is hier volgens de laureaten niet op zijn plaats. ‘Some conventions,’ schrijven ze, ‘which might function in the corporate world and entertainment industries, seem out of place when applied to the field of art.’

Sneeuwvlokjes

Het collectief statement rond de Preis der Nationalgalerie vond internationaal weerklank in de gespecialiseerde pers. Niet alleen hebben de kunstenaars publiekelijk de vinger op de wonde gelegd, ook de organisatie heeft er haar lessen uit getrokken voor de volgende editie (in 2019). Agnieszka Polska beaamt dat en voegt eraan toe hoe tevreden ze was met haar solopresentatie en de professionele omkadering in Hamburger Bahnhof. Het competitieve element ziet ze eerder als een noodzakelijk kwaad dat niet per se de hele sfeer moet verzieken. De Future Generation Art Prize – waarvoor ze in 2012 genomineerd was – noemt ze als voorbeeld: ondanks de nietsontziende internationale concurrentie heeft ze er tal van goede relaties met medestrevers aan overgehouden.

Bestaat er trouwens niet zoiets als gezonde, sportieve competitie? En als we competitie buitenspel zetten, wat blijft er dan nog over van kunstprijzen? Philip Kennicott schrijft in The Washington Post over de laatste Turner Prize: ‘This was unprecedented and renewed a conversation about the relevance of cultural prizes in general and whether the decision was a concession to the supposed “snowflake” tendencies in contemporary culture. Is it, critics suggested, a sign that everyone is or should be a winner?’ Alt-right internetjargon als ‘sneeuwvlokje’ mag dan menige wenkbrauw doen fronsen, maar het benoemt wél de olifant in de kamer: ideologie. Dat bleek eens te meer het doelwit van de symbolische actie die door de laureaten Oscar Murillo, Tai Shani, Helen Cammock en Lawrence Abu Hamdan werd voorgesteld en vervolgens door de jury is goedgekeurd. Een prestigieuze prijs als deze heeft altijd profijt gehaald uit controverses (denk maar aan Tracey Emin) maar die zijn welbeschouwd binnen de perken van het spel gebleven. Met werken die politieke thema’s behandelen als migratie, martelingen, het patriarchaat en burgerrechten, is het amper verrassend dat de kunstenaars zich ook met de regels van de Turner Prize zijn gaan inlaten. Niet dat daarmee plots iedereen winnaar wordt, maar misschien doet het ons twee keer nadenken over wat winnen en verliezen betekent, en over wie er zoal baat heeft bij kunstprijzen. Kennicott: ‘By asking to receive the award collectively, the artists effectively asked that the award recognize the social needs addressed by their work, not the work itself. And that is an effective way to deflect the persistent fear that art is a game played by educated virtuosos for the amusement of the moneyed classes.’ Zou het kunnen dat de heisa rond kunstprijzen vooral een reactie is op een breder sociaal, politiek en economisch klimaat?

Toxisch

Terug naar België, waar de vzw La Jeune Peinture Belge recent besloot om de BelgianArtPrize (BAP) voor de tweede keer op rij af te blazen. Even recapituleren wat voorafging. In mei 2019 ging de bal aan het rollen met een open brief die de exclusieve, discriminatoire selectie voor witte mannelijke kunstenaars (Sven Augustijnen, Koenraad Dedobbeleer, Gabriel Kuri en duo Jos de Gruyter en Harald Thys) aan de kaak stelde. Die brief werd op korte tijd door een aanzienlijk aantal Belgische kunstprofessionals ondertekend, en veroorzaakte de nodige deining in de media. Met spijt in het hart besloten de vijf heren zich daarop terug te trekken, waardoor het concours niet kon plaatsvinden. De organisatie stelde een adviescomité samen voor een interne herbezinning. 184 kunstenaars, genomineerd door 79 professionals en verzamelaars, werden herleid naar een shortlist van 38. Daaruit maakte een internationale jury een selectie van vijf: Agentschap, Sammy Baloji, Saddie Choua, Jacqueline Mesmaeker en Joëlle Tuerlinckx, een lijst die een stuk evenwichtiger en diverser oogt.

Bij de bekendmaking van de selectie waren de deelnemers nog niet op de hoogte gebracht van de voorwaarden rond de BAP. Dat is pas gebeurd tijdens een gezamenlijke bijeenkomst in juli. Het is veelzeggend dat directrice Carole Schuermans nadien geen enkel ondertekend exemplaar van het reglement ontvangen heeft. Een eerste struikelblok bleek de keuze voor sponsors te zijn met een ‘toxisch’ imago, met name ING dat de Publieksprijs financiert. Een van de laureaten wees op de ethisch dubieuze praktijken van bedrijven waarmee de Nederlandse bank commerciële relaties onderhoudt. Na het zomerreces heeft ING een aantal kunstenaars ontvangen om hierover in dialoog te treden. In de daaropvolgende maanden hebben de vijf kunstenaars in onderlinge solidariteit een zevental eisen geformuleerd, waaronder een verdubbeling van het productiebudget, alternatieve financiering, meer ethische verantwoordelijkheid en meer inspraak in de keuze voor schrijvers en uitgevers van teksten over hun werk (een discussie waarin ook de redactie van voorliggend blad betrokken werd).

Testcase

Midden december is er dan een algemene vergadering georganiseerd van de vzw La Jeune Peinture Belge, waarop beslist werd om ook het doek te laten vallen over de editie van 2020. Dat impliceert dat de betrokken kunstenaars zich geen finalisten van de BAP meer mogen noemen. Volgens de organisatie is de kunstprijs op een onmogelijke impasse uitgedraaid. Carole Schuermans namens het directiecomité: “We blijven erbij dat de geselecteerde kunstenaars professioneel getalenteerd zijn. Dit debacle heeft niets te maken met hun artistieke kwaliteiten. We hebben echter wel de indruk dat er een hijack heeft plaatsgevonden. We worden plots een testcase voor een hele sector. Een kunstprijs is maar één van de manieren om kunstenaars te ondersteunen.”

Ook voor de eisen van de kunstenaars is er een zeker begrip, maar voor de BAP liggen die niet binnen de grenzen van wat haalbaar is. “Het is dans l’air du temps om alles te polariseren en bekritiseren, en dat botst met de institutionalisering van een prijs als deze,” voegt Schuermans nog toe.

De laureaten betreurden het feit dat ze de eenzijdige beslissing eerst via de pers moesten vernemen, terwijl de organisatie beweert hen (net als de jury) eerder op de dag hierover bericht te hebben. Kort nadien volgde dan ook een persbericht van de kunstenaars, dat de fair practice van hun eisenpakket nog eens onderstreept. De ‘testcase’ van de BAP 2020 zien ze net als een uitgelezen kans om “reële verandering” door te voeren en een “nieuw onderzoeksveld” te openen “met verreikende gevolgen”. Ook weigeren ze zich neer te leggen bij de afschaffing en hun titel van finalist af te staan. De meerderheid van de juryleden zou zich achter deze oproep scharen, volgens het persbericht. De kunstenaars voelen zich dus voor een voldongen feit geplaatst, maar het directiecomité kaatst dat verwijt terug. Veel groter kan de patstelling haast niet worden.

Ethisch appel

Is een kunstprijs nog wel het winnen waard? Het is een vraag die The Art Newspaper twee jaar geleden kopte. De aanzwellende kritiek van kunstenaars is vooral tekenend voor de tijden waarin we leven. Die richt zich namelijk niet enkel op kunstprijzen an sich, dan wel op het apparaat van geld en macht waarvan zij deel uitmaken. Het idee van ‘gezonde concurrentie’ wordt daarmee een ongezonde, ideologische leugen die dient om de bestaande machtsrelaties en privileges in stand te houden. In een neoliberale prestatiecultuur worden kunstenaars almaar verwacht om te excelleren, terwijl de voorwaarden daartoe steeds duidelijker ideologisch worden ingevuld. Artistieke vrijheid komt hier op het eerste gezicht niet in het gedrang, al is het precies hun onvrijheid die kunstenaars op het podium trachten uit te spreken. En dat kan alleen door de perken van het spel in zekere mate te buiten te gaan. Natuurlijk staat het hen vrij om niet aan de wedloop deel te nemen – op straffe van niet gehoord te worden. Met fair practice komt een ethisch appel om de grenzen van wat haalbaar en mogelijk is te verleggen. Dat maakt de zaken er heus niet makkelijker op, maar als we akkoord gaan dat met kunstprijzen veel meer op het spel staat, zullen we het debat met de nodige sérieux moeten blijven voeren.