Alles over kunst

In de Coulissen  HART Nr. 230

Zeldzaam en onmisbaar?

In de coulissen HART 230
Eric Bracke

In deze rubriek buigt Eric Bracke zich over beleidsbeslissingen en hun gevolgen voor de beeldende kunst. Deze maand: hoe zinnig is het om na twintig jaar Topstukkendecreet een tentoonstelling te maken met honderd bijzondere kunstwerken?

Tom Wesselmann, Great American Nude # 45, 1963, acrylverf en collage op paneel, 121 x 122 cm, 2019 bruikleen Collectie Vlaamse Gemeenschap (verworven uit Collectie Matthys-Colle), foto Vincent Everarts

Thomas Leysen is een verdienstelijk man, die ook buiten het bedrijfsleven veel engagement toont. De Antwerpse captain of industry is onder meer voorzitter van de Topstukkenraad, een comité dat bepaalt welk cultureel erfgoed zo Zeldzaam en onmisbaar is dat het het statuut van ‘topstuk’ verdient. Kunstwerken met dat stempel mogen Vlaanderen niet verlaten. Als een uitvoervergunning wordt geweigerd, verbindt de Vlaamse Gemeenschap zich ertoe het kunstwerk aan te kopen tegen de internationale marktwaarde. Voor een restauratie moeten de bezitters van een topstuk ook vooraf toelating vragen aan de Vlaamse overheid, maar ze kunnen tegelijk rekenen op restauratiesubsidies.

De teller van het aantal topstukken staat inmiddels, na bijna twintig jaar, op 892. Dat het Topstukkendecreet volgend jaar twintig jaar bestaat, moet blijkbaar worden gevierd met een tentoonstelling. Cultuurminister Jan Jambon (N-VA) trok 400.000 euro uit om van eind oktober 2023 tot eind februari 2024 in het MAS in Antwerpen een selectie van honderd topstukken te tonen onder de titel Zeldzaam en onmisbaar. De minister-president droomt van een luisterrijke expositie voor een breed publiek, die het Belgisch EU-voorzitterschap in het eerste halfjaar van 2024 in de verf zal zetten.

Debuut als curator

Hoewel hij daarmee geen ervaring heeft, fungeert Thomas Leysen als co-curator van deze tentoonstelling. Leysen krijgt de steun van Ben van Beneden, die tot zijn pensioen aan het hoofd van het Rubenshuis in Antwerpen stond. Leysen, die naar eigen zeggen thuis is in de kunst van de zestiende en de zeventiende eeuw, wil laten zien dat er goed werk wordt geleverd in de Topstukkenraad. Tegelijk wil hij het publiek de kans geven om een glimp op te vangen van de rijkdom van de zogenaamde Topstukkencollectie, zo lezen we in de krant De Standaard van 12 oktober laatstleden.

Met alle respect, maar dit is geen goede basis om een interessante, historische tentoonstelling te maken. Er ligt namelijk geen concept aan ten grondslag. Dat geeft Ben van Beneden min of meer toe in hetzelfde artikel: ‘We vatten de tentoonstelling op als een wandeling door de kunstgeschiedenis’, zegt Van Beneden. ‘Het is niet eenvoudig om een verhaallijn uit te werken, omdat de Topstukkencollectie niet het gevolg is van een gericht aankoopbeleid door de eeuwen heen. De tentoonstelling is chronologisch opgebouwd, zonder er een schoolreis van te maken. Het wordt geen van Altamira tot heden.’

De bruikleengevers zijn bekende en minder bekende musea, kloosters, abdijen, kerken en verzamelaars. Op het internet lezen we dat het Minderbroedermuseum De Mindere in februari ‘de voorzitter van de Topstukkenraad Thomas Leysen en een van de leden, Ben van Beneden, (mocht) verwelkomen’. ‘Beide heren bestuderen aandachtig het ‘altaar in stro’’, deelt het Truyens Nieuws enthousiast mee. ‘Dit Vlaamse topstuk van De Mindere maakt kans om opgenomen te worden in een prestigieuze tentoonstelling van Vlaamse topstukken. (…) We kruisen onze vingers!’ 

Naast dit soort kerkschatten, textiel, literaire manuscripten en ander belangrijk archiefmateriaal staan er uiteraard ook wereldberoemde schilders op de lijst, zoals Memling, Rubens, Van Dyck en Ensor. Maar is het verantwoord om zo’n Memling of Van Dyck uit zijn veilige bewaarplaats te liften om het schilderij in het MAS vier maanden in de spots op te hangen? Dat is te rechtvaardigen bij een historische tentoonstelling met een duidelijk studie- of onderzoeksdomein, wat bij Zeldzaam en onmisbaar niet het geval is.

Topstukkenwebsite en symposium

Jambon zou naar aanleiding van twintig jaar Topstukkendecreet beter een budget vrijmaken voor een aantrekkelijke website van de Topstukkencollectie, met foto’s, pedigree, toelichtingen over het uitzonderlijk belang van elk stuk en teksten van specialisten. Een digitaal kunstboek, zeg maar. Nu bestaat er al een database van topstukken op de website vlaanderen.be, maar de presentatie kan een stuk aangenamer en interessanter. De beperkte investering zou ook na het kortstondige EU-voorzitterschap van België blijven renderen. Bovendien kan een mooie, autonome website de bewustwording onder eigenaars van potentiële topstukken bevorderen. Toegegeven, voor het kunstminnende publiek zijn digitale afbeeldingen van schilderijen en objecten niet het summum, maar wie oog in oog wil staan met een tastbare Memling, Rubens of Ensor kan nog altijd in onze musea terecht.

Met het uitgespaarde geld kan de Vlaamse minister-president een symposium organiseren over twintig jaar Topstukkenbeleid, met getuigenissen van Europese deskundigen over vergelijkbare praktijken in hun land. We willen Leysen wel geloven dat er in de raad goed werk wordt geleverd, maar mogen we ook eens stilstaan bij de beperkingen van het systeem? Of de doeltreffendheid van de vrijstelling van successierechten voor cultuurgoederen op de Topstukkenlijst eens onder de loep nemen?

Het Topstukkendecreet kwam twintig jaar geleden tot stand nadat er ophef was ontstaan over vier schilderijen van Joachim Beuckelaer die het land hadden verlaten. Het ensemble De vier elementen, sinds 1986 als bruikleen te bekijken in het Museum voor Schone Kunsten in Gent, werd in 2001 aangekocht voor 4,5 miljoen euro door de National Gallery en bevindt zich nu in het depot van het Londens museum. Eerder was ook al een meesterwerk van Ensor, De Intrede van Christus in Brussel, verdwenen naar een buitenlands museum, met name het Getty Museum in Malibu, Californië.

Een decreet moest dit in de toekomst voorkomen, maar enkele jaren na de goedkeuring bleek het systeem allesbehalve waterdicht te zijn. In 2007 kondigde de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag aan dat ze het Gruuthusehandschrift had aangekocht, een uitzonderlijk middeleeuws manuscript dat zes eeuwen lang in het bezit van Brugse families was geweest. Gelukkig voor Vlaamse en andere onderzoekers publiceerde de Koninklijke Bibliotheek het handschrift kort erna volledig online en in 2015 verscheen er een voorbeeldige uitgave van de teksten en de muziek uit het handschrift. Men kan betreuren dat het Gruuthusehandschift nu een Nederlands in plaats van een Vlaams topstuk is, maar de toegankelijkheid ervan is belangrijker dan de plaats waar het zich bevindt.

Ballonnetje zonder debat

Interessant voor een mogelijk debat is ook het ballonnetje dat de toenmalige Cultuurminister Sven Gatz zowat zeven jaar geleden opliet in zijn boek Bekentenissen van een cultuurbarbaar. Gatz vond het ‘immoreel’ dat Frankrijk en Nederland elk 80 miljoen euro op tafel legden om twee schilderijen van Rembrandt uit privébezit te halen. In de plaats daarvan suggereerde Gatz om het budget van het Topstukkendecreet te investeren in jonge kunstenaars en tegelijk het aankoopbudget van bijvoorbeeld het M HKA te verhogen. Toch wilde de toenmalige minister ook vasthouden aan de bescherming van de topstukken op de lijst. Ook het principe van het voorkooprecht voor de Vlaamse Gemeenschap, als een uitvoervergunning werd geweigerd, wilde hij respecteren.

Van het beoogde debat was de volgende jaren niet veel meer te merken. Onder minister Jambon werd begin 2020 zelfs weer nog eens flink in de Vlaamse geldbeugel getast om het schilderij Great American Nude #45 van Tom Wesselmann aan te kopen. De Vlaamse Gemeenschap betaalde toen 2,1 miljoen euro om het werk van de Amerikaanse popartkunstenaar uit de collectie Matthys-Colle in de wacht te slepen. De Wesselmann ging naar het S.M.A.K., dat ook nog eens 39 werken uit dezelfde collectie in bruikleen kreeg. Het was geleden van de tijd van Bert Anciaux dat de Vlaamse overheid zich nog zo kooplustig had getoond.

Niet lang daarna kocht de minister van Cultuur via het Topstukkenfonds ook twee ‘bozzetti’ van de Mechelse beeldhouwer Lucas Faydherbe bij het veilinghuis Sotheby’s in Londen (340.000 euro). De reliëfs in terracotta uit de 17de eeuw dienden als ontwerp voor de monumentale reliëfs in de Onze-Lieve-Vrouw van Hanswijkbasiliek in Mechelen. Ze zijn nu te bewonderen in museum Hof van Busleyden in Mechelen. In dezelfde periode werden ook zestiende-eeuwse tekeningen toegevoegd aan de Topstukkenlijst, met name de Aangespoelde vinvis te Egmond (anoniem) en het Parureboek met tekeningen van geborduurde mantels uit het Museum van het Heilig Bloed te Brugge.

Het lijkt er dus op dat de Topstukkenraad de laatste jaren behoorlijk alert is. De vraag is eerder of het cultuurbeleid het evenwicht weet te bewaren tussen enerzijds het vrijwaren van ons erfgoed en anderzijds de aankoop van en de steun aan de eigen hedendaagse kunst.