Alles over kunst

Interview

The Brussels Connection

Gesprek met Kasia Redzisz en Sophie Lauwers
Tamara Beheydt

Praktische info

Op 31 maart organiseert Bozar het symposium Art Talk: 100 jaar Paleis voor Schone Kunsten, met in het panel van sprekers: Sophie Lauwers, Kasia Redzisz, Emma Lavigne, Daniel Birnbaum, Theirry De Duve, Melat Gebeyaw Nigussie en Liam Gillick, www.bozar.be

Kasia Redzisz verhuisde begin december naar Brussel. Ze werkte eerder als curator in Tate Modern en Tate Liverpool en is sinds enkele maanden artistiek directeur van KANAL – Centre Pompidou, een museum dat in zekere zin nog niet bestaat. Sophie Lauwers werd eind vorig jaar aangeduid als opvolger van Paul Dujardin als algemeen directeur van Bozar, het Paleis voor Schone Kunsten, dat dit jaar honderd jaar bestaat en waar ze al twintig jaar aan verbonden is. Wat kunnen deze twee instellingen, twee reuzen in het Brusselse cultuurlandschap, van elkaar leren? En zijn de samenleving en de kunstwereld klaar voor het tijdperk van de vrouw? Tamara Beheydt ging met beiden in gesprek.

Tamara Beheydt: Het ene instituut is nog in volle ontwikkeling en trok een jonge artistiek directeur aan met Poolse roots. Het andere instituut heeft sinds kort een nieuwe algemeen directeur, die al twintig jaar aan het huis verbonden is, waarvan meer dan tien jaar als hoofd tentoonstellingen. Wat zijn de voor- of nadelen van enerzijds het mee vormgeven van een nieuw instituut, en anderzijds het opklimmen in een organisatie waar je al twintig jaar deel van bent?

Sophie Lauwers: Het grootste voordeel is dat ik Bozar vanbinnen en vanbuiten ken. Ik werd twintig jaar geleden aangeworven als medewerker tentoonstellingen en klom op tot directeur tentoonstellingen. Tegelijk is mijn huidige positie als CEO compleet anders. Het zou ook een nadeel kunnen zijn dat ik mijn ex-collega’s moet aansturen, maar dat hoeft niet noodzakelijk negatief te zijn. Het staat mijn visie in ieder geval niet in de weg. Ik vind het belangrijk om iedereen, alle teams, te betrekken bij de nieuwe weg die we inslaan.

Kasia Redzisz: Ik kom inderdaad van buitenaf en moet me in zekere zin nog familiariseren met de Brusselse en Belgische kunstwereld. Maar ik kom ook naar een structuur die nog in de steigers staat. Dat is een heel grote kans.

TB: Hoe zullen KANAL en Bozar zich tot elkaar en tot de andere culturele spelers in Brussel verhouden onder jullie ambtstermijnen? Zijn er plannen voor samenwerkingen?

KR: Vanuit Tate werkte ik al eerder samen met Bozar. Onze profielen zijn heel verschillend, maar in mijn ogen hebben we alleen maar baat bij een synergie, ook in functie van de algehele duurzaamheid van de sector. Het komt nu aan ons, de verschillende Brusselse instituten, toe om hier concrete methodes voor te vinden. Ik ben door de kunstwereld enthousiast onthaald en daarom geloof ik des te meer in een synergie tussen de culturele spelers hier. De hele sector heeft met dezelfde uitdagingen te maken: op vlak van inclusie, duurzaamheid, budget. We hebben dezelfde vragen, dus waarom niet samen antwoorden zoeken? Ook als we tot verschillende conclusies zouden komen, is dat waardevol.

SL: De culturele spelers in Brussel zijn eerder complementair dan concurrerend. Toen ik in 2018 de persconferentie rond KANAL volgde dacht ik ook ‘oei, dat wordt een nieuwe Bozar’, maar wat hebben we aan concurrentie? Het culturele landschap in Brussel is veranderd, er zijn nu grote instituten op de as van grote treinstations: WIELS ligt vlakbij Brussel-Zuid, Bozar bij het centraal station en KANAL bij het Noordstation. Alle instituten in Brussel moeten, vanuit hun eigen identiteit, samenwerken. Dat is de toekomst, daar kunnen we niet onderuit. Ik geloof echt dat elk instituut individueel sterker wordt als we als culturele wereld samen sterk staan, ook in onze relatie met de overheden. Waarom zijn de vele culture instellingen bijvoorbeeld niet betrokken bij beslissingen over de voetgangerszone in Brussel?

TB: Wat moet een cultureel instituut, een museum, vandaag zijn?

KR: De komende twee jaar, voor de opening in 2024, worden de enige in de geschiedenis van KANAL waarin we ons onverdeeld kunnen toeleggen op deze vraag. Daarna zitten we in een eindeloze ‘delivery mode’. Die luxe moeten we aanspreken om te filosoferen en te debatteren, ook met partners, over hoe we bestaande paradigma’s kunnen uitdagen. Ik droom van een instituut met een grote relevantie, een transnationaal programma en vol mensen die samen het eigenaarschap invullen.

SL: We maken vandaag grote crisissen mee, en ik zeg weleens: als je de wereld niet wil veranderen, heb je geen kunstenaars nodig. We zullen de wereld niet redden, maar ik geloof wel dat kunstenaars daarmee kunnen helpen. En bij ons moet de kunstenaar centraal staan. De geschiedenis van Bozar is heel rijk, maar mag ook geen blok aan ons been worden. Ons honderdjarig bestaan is een unieke kans om kritisch naar onszelf te kijken, onze werking in vraag te stellen en nieuwe ideeën te ontwikkelen. De wereld en Europa veranderen zo snel en we moeten durven vragen wat een instituut als het onze daarin vandaag betekent.

TB: Sophie zei in een eerder interview: ‘Als we een weerspiegeling van de maatschappij willen zijn, is er nog veel werk aan de winkel.’ Hoe vinden instituten vandaag een connectie met Brussel, en met het zeer diverse en internationale publiek dat de stad met zich meebrengt?

SL: Brussel is niet alleen de hoofdstad van Europa, de stad zelf heeft ook vele gezichten en niet één eenduidige identiteit, zoals Parijs of Londen meer hebben. We moeten in de spiegel durven kijken en toegeven dat we de samenleving écht niet reflecteren. Ik wik mijn woorden, maar dit is echt belangrijk. We zijn een publieke instelling met 4.000m2 ruimte om een multidisciplinair programma uit te rollen. We moeten echt deze grote verantwoordelijkheden tegenover de gemeenschappen in Brussel opnemen, anders overleven we het niet.

KR: De wereld ondergaat op sneltempo dramatische veranderingen en de grootste uitdaging voor instituten wereldwijd is dat ze te traag bewegen. Hoe blijf je als museum relevant, hoe blijf je het publiek dienen met manieren om de wereld beter te begrijpen? Want dat is wat kunst en verbeelding kunnen doen. Vooral sinds 2020 voel ik een grote nood aan transparantie en toegankelijkheid. Alle mensen, alle belastingbetalers, moeten zich welkom en vertegenwoordigd voelen, dat moet het doel van elke instelling zijn. Tot onze opening werken we al aan een programma extra muros. Met publieke interventies en activiteiten willen we de hand reiken aan een publiek dat in het verleden misschien nog niet de weg naar ons museum vond. Ik geloof in een idee van gedeeld ownership: het publiek is mede-eigenaar van het museum.

TB: Kasia, rond de verhouding Centre Pompidou en KANAL-Centre Pompidou rijzen al enkele jaren veel vragen. Is KANAL een Frans of een Belgisch museum? Hoe groot wordt de inmenging van de Parijzenaren?

KR: Ik ben er volledig van overtuigd dat KANAL een internationaal museum in Brussel is. De notie dat een museum een globaal narratief van kunst kan geven, is heel belangrijk voor mij. Onze centrale Europese locatie maakt dat nog pertinenter. We rekenen op Centre Pompidou voor hun fantastische collectie, waar we gebruik van mogen maken, maar ook op vlak van advies en expertise. Hoe moeten we omgaan met een museum van deze schaal? KANAL heeft echter de ambitie om een volledig eigen curatorieel team uit te bouwen en een onafhankelijk programma neer te zetten. In het huidige klimaat is complete isolatie weliswaar onmogelijk, we hopen met verschillende internationale instituten en musea samen te werken, en Centre Pompidou hoort daarbij.

TB: Bozar heeft als Paleis voor Schone Kunsten geen eigen kunstcollectie, maar Stichting KANAL presenteerde op 10 maart een visie voor de nieuwe collectie, die in samenwerking met een externe aankoopcommissie zal groeien. Komt er een focus op Belgische kunst, of op bepaalde thematieken?

KR: Het doel van de collectie is om de focus te leggen op hedendaagse kunstenaars die in Brussel leven en werken. Het gaat dus om Belgische kunstenaars, maar zeker ook om de diaspora. Enerzijds is er de ambitie om de Belgische kunstwereld te vertegenwoordigen, die heel complex en divers is. Anderzijds maken we ook de connectie met de noden en de mogelijkheden van het gebouw. Het gebouw is groot en complex; niet elke ruimte wordt een museale ruimte. Welk type werken vraagt dit?

TB: Bozar is honderd jaar oud, KANAL wordt deels nieuw geconcipieerd. Welke impact en welk belang heeft architectuur voor beide instituten?

KR: Onze architectuur is cruciaal. Het is de omkadering van onze activiteiten. Ik geloof bovendien dat het gebouw, door zijn functionaliteit en schaal, ook voor partners potentiële betekenis heeft: misschien kunnen hier projecten gerealiseerd worden die eerder niet mogelijk waren in Brussel.

SL: Bozar is een prachtig meesterwerk van Horta, hij noemde dit totaalconcept in art decostijl het hoogtepunt van zijn carrière. Het is gebouwd voor de kunsten, in dienst van kunstenaars. De monumentaliteit zit echter binnenin, van buiten is het een minder opvallende architectuur. Daarom vind ik dat we het als een handschoen binnenstebuiten moeten keren. Ik wil meer kunstenaars uitnodigen om in rechtstreekse dialoog te gaan met het gebouw. Ter gelegenheid van onze honderdste verjaardag nodigen we bijvoorbeeld performancekunstenaar Boris Charmatz uit met zijn stuk 20 dansers voor de XXe eeuw en zelfs meer. Die performance kan mensen naar minder bezochte delen van het gebouw lokken. We mogen het belang van het gebouw als platform bovendien niet onderschatten: voor tentoonstellingen werken we graag samen met architectenbureaus, want een tentoonstelling kan vallen of staan met de scenografie. Bij mijn aanstelling ging ik meteen in gesprek met het schoonmaakteam, want mensen onderschatten te vaak het belang van een blinkend gebouw. Het is een essentieel deel van de ontvangst van ons publiek.

KR: Ook KANAL streeft naar die openheid, naar een warm welkom. De architectuur wordt heel open, met veel ruimtes die publiekelijk en kosteloos toegankelijk zijn, en vaak vallen ook letterlijk de fysieke drempels weg. Dat gemak van toegang is zeer belangrijk.

TB: Vorig jaar was er heel wat controverse rond het voorstel van de raad van bestuur van KANAL om jou het artistiek directeurschap te laten delen met voormalig directeur van Centre Pompidou, Bernard Blistène. Daarnaast is het de eerste keer dat een vrouw aan het hoofd van Bozar staat. Zijn de samenleving en de kunstwereld klaar voor het tijdperk van de vrouw?

KR: Ten tijde van die discussie maakte ik nog geen deel uit van KANAL en dus kan ik er weinig over zeggen. Het had zeker iets met gendergelijkheid te maken. Wat dit ons leert, is dat deze discussies publiekelijk gevoerd worden. Instituten worden publiekelijk in vraag gesteld, en terecht. Er is een grote nood aan transparantie en verantwoording.

SL: Minister Sophie Wilmès, die verantwoordelijk is voor Bozar, lanceerde een open call voor een nieuwe raad van bestuur. Dat alleen is een belangrijk statement. De verandering moet van bovenaf komen. We hebben nu, ook voor de eerste keer, een vrouwelijke voorzitter van de raad van bestuur, en een vrouwelijke financieel directeur. Ik ben omringd door vrouwen en ik voel écht het verschil. De manier van werken en de communicatie zijn anders. Er is meer plaats voor transparantie en samenwerking. We zijn niet minder wilskrachtig, of hebben zelfs geen kleiner ego, maar zetten naar mijn gevoel wel meer in op het eindresultaat van een project.

KR: Eigenlijk is het schokkend dat we in 2022 nog moeten opkijken van gelijkgestelde rechten. We zien vandaag in Europa veel nieuwe aanstellingen die deze verandering reflecteren, maar dat lijkt bijna te laat. Ik ben niet alleen vrouw, ik ben een niet-westerse vrouw. Ook dat is Brussel: er zijn zoveel nationaliteiten en de sector moet dat reflecteren. Bovendien moeten we niet alleen nadenken over wie aan het hoofd staat, maar ook over de bredere ethiek: welke interne processen zijn er om mensen in dienst te nemen? Is er een ondersteunend fundament om mensen binnen te halen met diverse achtergronden? Daar moeten we als leiders onze verantwoordelijkheid in nemen.

Kasia Redzisz, foto Veerle Vercauteren
Sophie Lauwers, foto Jef Jacobs